Aardappelziekte - Phytophthora infestans (late blight / fytoftora)
Phytophthora infestans valt onder de Oömyceten of waterschimmels. Aantastingen door deze ziekteverwekker bij aardappelen kunnen in het begin enige gelijkenis vertonen met die van Alternaria. Voor een aantasting door phytophthora bij tomaten zie: Aardappelziekte Tomaat.
![]()
Aardappelblad, Foto door Rasbak Wikipedia
Symptomen / herkennen
Bij een phytophthora aantasting verschijnen op de bladeren licht- tot donkerbruine plekken. Deze bruine plekken zijn aan de rand veelal omgeven door een licht groene of gele kring. De aantasting begint vaak aan de zijkant van het blad.De plekken worden later zwart en beperken zich niet tot de bladnerven en kunnen zelfs samensmelten met andere aangetaste plekken. Aangetaste bladeren verkleuren, verwelken en verschrompelen. Op het grensvlak van het afgestorven gedeelte en het gezonde gedeelte is meestal een zone herkenbaar waar de schimmel actief is. Ook op de stengel en stelen ontstaan zowel grote als kleine onregelmatige donkerbruine tot zwarte vlekken. Zie foto’s:
|
|
|
|
In een later stadium, bij warm en vochtig weer is ook witgrauw schimmelpluis zichtbaar aan de onderzijde van het blad en/of op de stengels.
Na aantasting van de bovengrondse delen kunnen de aardappels zelf worden aangetast. Een aantasting op de aardappel is in een vroeg te herkennen aan ingezonken bruine vlekken die later gaan rotten.
Tip
Een eenvoudige test om phytophthora vast te stellen: stop één of enkele aangetaste blaadjes in een plastic zak, voeg er een paar druppels water bij en leg de afgesloten zak in het donker bij kamertemperatuur weg. De volgende dag kan Phytophthora worden herkend als zich aan de onderkant van de aangetaste blaadjes wit schimmelpluis heeft gevormd.
Oorzaak
Phytophthora wordt veroorzaakt door een schimmel. De sporen kunnen tot enkele kilometer verspreid worden door wind, insecten en door opspattend water. De schimmelaantasting doet zich voornamelijk voor vanaf half juni en kan bij warm en vooral vochtig weer snel uitbreiden. Ideaal voor de ontwikkeling van de schimmel zijn relatief koele nachten en warm dagen in combinatie met een hoge luchtvochtigheid. Met name lange perioden waar het blad niet kan opdrogen door regen en mist bevorderen de schimmel. De sporen ontwikkelen zich wanneer het blad minimaal 7 – 10 uur vochtig blijft. De schimmel activeit wordt onderbroken bij droog weer en bij temperaturen boven de 27 graden. De sporen kunnen ongeveer één tot drie jaar overleven in de bodem, op plantenresten en op onkruid.
Overleving in de winter
Aantasting van de aardappels zelf kan plaatsvinden doordat de sporen door regen en wind van het blad af de bodem ingespoeld worden waarna ze door kunnen dringen tot de aardappel. Ook tijdens het oogsten kunnen de aardappels besmet raken doordat ze in aanraking komen met de sporen of besmet loof. Aardappels die beperkt tot niet bedekt zijn met grond (aanaarden) worden sneller aangetast dan de aardappels die goed bedekt zijn.
Phytophthora infestans kan op verschillende manieren de winter overleven. Ongeslachtelijke overleving gebeurt vooral via levend plantenmateriaal, zoals achtergebleven knollen van geïnfecteerde aardappelplanten.
Daarnaast kan er geslachtelijke overleving optreden via oösporen die langdurig in de bodem aanwezig blijven en tot wel drie jaar kunnen overleven. Deze oösporen komen echter niet zo vaak voor in moestuinen, omdat hiervoor twee verschillende matingtypes gelijktijdig op dezelfde plant aanwezig moeten zijn. Die kans is veel groter in grootschalige teeltgebieden.
Zowel deze oösporen als de kiemplanten die ontstaan uit geïnfecteerde, achtergebleven knollen kunnen in het voorjaar onder gunstige omstandigheden nieuwe infectiebronnen vormen. Ze produceren dan zowel zoösporen (die zich via water, zoals plassen en opspattende regen, kunnen verspreiden) als sporangia (die zich via de wind kunnen verspreiden).
De eerste infectiebronnen zijn dus vaak al vroeg in het voorjaar aanwezig. De massale verspreiding via de lucht treedt meestal later in het seizoen op, wat ook de oorsprong verklaart van de naam late blight.
Vroege besmettingen in moestuinen zijn vaak terug te voeren op achtergebleven geïnfecteerde aardappelknollen van het vorige jaar. De aantasting kan zich vervolgens zeer snel ontwikkelen. Daarbij ontstaan ook steeds nieuwe, agressievere varianten die zich sneller verspreiden. Waar vroeger de periode van besmetting tot nieuwe sporenvorming 7 tot 11 dagen bedroeg, kan dat tegenwoordig nog slechts 2 tot 5 dagen zijn.
Sommige nieuwe stammen doorbreken bestaande resistenties of worden minder gevoelig voor bepaalde bestrijdingsmiddelen. Monitoring en snelle verwijdering van aangetaste planten is daarom essentieel om verdere verspreiding te voorkomen. In Nederland geldt bovendien de verplichting om aantastingen door Phytophthora infestans in moestuinen actief te bestrijden en geïnfecteerd materiaal direct te verwijderen.
De symptomen kunnen per variant verschillen, bijvoorbeeld in de grootte van de laesies of de mate waarin de aantasting zich ook op de stengel manifesteert.
Tip
Het is belangrijk om in het najaar alle achtergebleven aardappelknollen uit de grond te verwijderen en in het voorjaar uitsluitend gezonde pootaardappelen te gebruiken. Achterblijvende of besmette knollen kunnen namelijk de winter overleven en vormen een belangrijke bron van nieuwe infecties. Wanneer zo'n knol in het voorjaar uitloopt, kan de ziekteverwekker zich via de jonge scheuten en stengels verder ontwikkelen en omliggende planten besmetten. In dit stadium zijn de kenmerkende bruine vlekken op blad of stengel niet altijd direct zichtbaar.
Zodra de aantasting zich verder uitbreidt en phytophthora zich in het gewas manifesteert, worden op bladeren en stengels schimmelsporen gevormd. Deze sporen kunnen door regen, opspattend water en wind worden verspreid naar andere aardappel- en tomatenplanten. Zo ontstaat vanaf de zomer een nieuwe infectiecyclus, waarbij de ziekte zich snel door een perceel of tuin kan verspreiden.
Maatregelen en voorkomen van Phytophthora
Phytophthora is aan het eind van het seizoen bij vochtig en warm weer moeilijk te voorkomen. Toch zijn er een aantal belangrijke preventieve maatregelen om de aantasting zo lang mogelijk uit te stellen en te beperken.
Preventieve maatregelen
Wisselteelt bij aardappels is zeer belangrijk. Omdat de sporen enkele jaren kunnen overleven is minimaal 3-4 jaar tussen de teelt op het zelfde stukje grond aan te raden.
Plant alleen ziekte vrije aardappels. Met gecertificeerd pootgoed van de zaadhandel, tuincentrum of op de markt kan je er bijna zeker van zijn dat je gezond pootgoed gekocht hebt.
Het is heel belangrijk om kiemplanten uit achtergelaten aardappels van het jaar ervoor te verwijderen als je toen een aantasting had. Die lijken in het begin gezond, maar gaan snel nadien je andere planten aantasten.
Een preventieve bespuiting behoort tot de mogelijkheden. Neem contact op met de zaadhandel of tuincentrum voor de meest recente middelen.
Plant bij voorkeur vroege of middelvroege aardappels in plaats van late aardappelrassen.
Vroeg planten - rond maart - april kan helpen om de ergste aantasting aan het eind van het seizoen voor te blijven.
Voorkom een bemesting met een te hoog stikstofgehalte.
Aardappels voldoende aan aanaarden.
Hanteer voldoende afstand tussen de rijen en planten zodat het gewas snel kan opdrogen door de wind.
Teel zoveel mogelijk (deels) resistente rassen.
Maatregelen bij besmetting
Eenmaal een besmetting geconstateerd probeert men door het verwijderen van de aangetaste bladeren en stengels de ziekte te beperken. Voer het loof af naar de vuilverbranding en ontsmet handschoenen en snoeischaar. Voer voor het verwijderen een preventieve bespuiting van de rest van het gewas uit en wacht tot dit droog is.
Als de schimmel zich rond half juli-half augustus manifesteert hebben de knollen al een redelijke omvang. Overweeg dan om het loof af te knippen zodat de schimmel zich niet verder kan verspreiden en de knollen verder af kunnen harden voor bewaring.
|
|
|
Howard F. Schwartz, Colorado State University, United States Creativec ommons 3.0 Wikipedia |
Phytophthora infestans op aardappel knollen
Knollen van aardappel kunnen worden aangetast door late blight, Infectie van knollen vindt plaats tijdens het groeiseizoen wanneer sporen vanuit aangetaste bladvlekken met regenwater de bodem in spoelen en de knollen bereiken, of tijdens de oogst wanneer knollen worden gerooid terwijl het loof nog geïnfecteerd en nat is of nog niet volledig is afgestorven. Aangetaste knollen kunnen nog stevig aanvoelen, waardoor de aantasting niet altijd direct zichtbaar of voelbaar is. Uitwendig ontstaan onregelmatige plekken met een donkerbruine tot paarsachtige verkleuring van de schil, die later donkerder worden en ingezonken raken. Inwendig ontwikkelt zich een roodbruine (mahoniekleurige), droge en stevige rot met een korrelige structuur, die zich onregelmatig door het knolweefsel verspreidt. Deze aantasting kan oppervlakkig blijven in de schil, maar ook tot ongeveer 1–1,25 cm in de cortex doordringen en soms grillig of draadachtig door het weefsel verlopen. Tijdens bewaring kan de rot verder uitbreiden, vooral onder vochtige omstandigheden, waarbij door beschadiging van de schil ook bacteriën kunnen binnendringen die natrot veroorzaken.
Late blight in knollen kan worden onderscheiden van knolaantasting door Alternaria (zwarte stip of droogrot) op basis van zowel uiterlijk als weefselstructuur. Bij Phytophthora infestans is de rot typisch roodbruin, relatief stevig en licht korrelig, met onregelmatige en soms diepere verspreiding vanuit de schil naar binnen. Bij Alternaria daarentegen is de aantasting meestal donkerbruin tot zwart, duidelijk droger en meer begrensd, vaak met scherpe overgangen tussen gezond en aangetast weefsel. De rot bij Alternaria blijft vaker oppervlakkiger of vormt droge, harde ingezonken plekken met concentrische ringen, terwijl late blight eerder een zachtere, mahoniekleurige interne verkleuring geeft die zonder duidelijke ringen onregelmatig door het knolweefsel loopt. Hierdoor is late blight doorgaans vochtgerelateerd en onregelmatig verspreid, terwijl Alternaria-aantasting droger, scherper afgelijnd en meer lokaal is.
Phytophthora: vochtig, roodbruin, onregelmatig, intern dieper.
Alternaria: droog, donker, scherp begrensd, vaak oppervlakkiger.







Aanbevolen reacties
Doe mee aan dit gesprek
Je kunt dit nu plaatsen en later registreren. Indien je reeds een account hebt, log dan nu in om het bericht te plaatsen met je account.