De aardappel behoort tot de nachtschadefamilie, net als de tomaat en de paprika. Er zijn meer dan 400 aardappelrassen met allemaal verschillende eigenschappen als bewaarbaarheid, ziektegevoeligheid, vorm en kleur van de knollen.
Kies voor rassen met een sterke resistentie tegen ziekten. Aardappels uit de supermarkt kunnen schimmels bevatten en zijn behandeld met een anti-spruitmiddel. Koop daarom (NAK) gecertificeerd pootgoed bij de zaadhandel, tuincentrum of op de markt, zo kan je er bijna zeker van zijn dat je gezond pootgoed gekocht hebt. Tegenwoordig wordt pootgoed (vooral op de markt) ook in kleine aantallen verkocht.
Aardappels laten spruiten
Het spruiten van aardappels geeft enige voorsprong (twee weken). Leg de aardappels in een platte schaal of in eierdoosjes met die kant van de aardappels naar boven waar de meeste ogen zitten. Zet ze op een lichte, vorstvrije maar goed geventileerde plaats voor ongeveer 4-6 weken. 10 graden is ideaal. Te warm of te donker resulteert in lange, tere en bleke scheuten die bij het minste geringste afbreken. Laat twee tot drie spruiten per pootaardappel zitten, wrijf de overige er af. Scheuten van ongeveer 2-3 cm zijn ideaal voor het planten, maar de lengte maakt verder niet veel uit.
Planten van aardappels
Aardappels groeien het beste op een zonnige plek met een vruchtbare, goed gedraineerde grond. Planten van aardappels doe je wanneer er nog maar weinig kans is dat het loof bij zware vorst zal afvriezen.
Vroege aardappels kunnen meestal vanaf half februari tot half april gepoot worden. De beste tijd om aardappels te poten is van half maart tot begin april. Late aardappelen kunnen gedurende de gehele maand april - begin mei gepoot worden. De beste pootdatum is in dit geval de eerste helft van april vanwege het risico op de aardappelplaag later in het seizoen.
Aardappels worden meestal op rijen geplant. De plantafstand bedraagt bij: Vroege aardappelen: 30-35 cm tussen de planten zelf en 40-45 cm tussen de rijen. Middel / late aardappelen: op 38 – 40 cm tussen de planten en 60-75 cm tussen de rijen.
De plantdiepte bedraagt ongeveer 5-10 cm. Plant de aardappels rechtop, met de ogen of spruiten naar boven en bedenk met grond. Aandrukken is niet nodig. Bij kans op vorst dekken we de aardappels af met fleeche. Wanneer de plantjes groot genoeg zijn kan je er wat grond tegen aan werken (aanaarden), zie verzorging hiernaast.
Teeltfase / Kenmerk | Periode / Afstand |
|---|---|
Voorkiemen | Februari - maart |
Poten | Midden mei |
Uitplanten | Niet van toepassing |
Plantafstand | 35 - 40 cm |
Tussen rijen | 50 - 70 cm |
Oogsten | Juni – oktober (afhankelijk van vroege, middelvroege of late rassen) |
Standplaats | Volle zon |
Bodem | Losse, diep bewerkte, humusrijke en goed doorlatende grond |
pH | 5,0 - 6,5 |
Optimale temperatuur | 15 - 20 °C |
Teeltduur | 90 - 150 dagen |
Planthoogte | 40 - 100 cm |
Knolvorming | Ondergrondse knollen ontwikkelen zich aan uitlopers van de plant |
Aanaarden | Meerdere keren tijdens de groei om knollen te beschermen tegen licht |
Oogstwijze | Rooien zodra loof afsterft of, bij vroege aardappelen, wanneer de knollen voldoende groot zijn |
Waterbehoefte | Gemiddeld tot hoog; vooral belangrijk tijdens knolvorming |
Winterhardheid | Niet winterhard; knollen verdragen geen langdurige vorst in de grond |
Bijzonderheden | Aardappelen worden ingedeeld in vroege, middelvroege en late rassen. Voorkiemen versnelt de groei en de oogst. Regelmatig aanaarden voorkomt groene, giftige knollen door blootstelling aan zonlicht. |
Bemesting van aardappels
Werk enkele maanden voor het poten een rijke gift (een emmer per vierkante meter) verteerde compost of mest onder. Twee weken voor het planten strooi je nog wat koemestkorrels uit over de grond. Tijdens het planten en aanaarden is het aan te raden om nog wat patentkali te strooien. Bij het poten kan er nog wat compost in het plantgat gedaan worden. Aardappels vragen een gemiddelde hoeveelheid stikstof, te veel stikstof resulteert in veel loof. Pas dus op met kippen en duivenmest.
Verzorging
We aarden aardappels aan omdat anders de aardappels die boven de grond komen groen worden, ter bescherming van de jonge scheuten tegen de koude nachten en om later makkelijker te kunnen rooien. Aanaarden wordt voor het eerst uitgevoerd als de stengels hoog genoeg zijn om er grond tegen te werken. Dus wanneer de stengels ongeveer 15-25 cm zijn aard je ze 10 cm aan, dit aanaarden kan je naar behoefte ongeveer 1 of 2 keer herhalen (tot max 30 cm hoge walletjes).
De eerste weken na poten moeten we het onkruid nog wieden, later is dit niet meer nodig omdat het loof van de aardappelen de grond dusdanig beschaduwt dat onkruidgroei vrijwel onmogelijk wordt. Bij kans op vorst dekken we de aardappels af met vliesdoek om vorstschade (wiki: vorstschade )te voorkomen. Ook aanaarden behoort tot de mogelijkheden. Bij langdure droogte geef je regelmatig water.
Wisselteelt is bij aardappelen van groot belang omdat het gewas gevoelig is voor een opeenstapeling van bodemziekten en plagen. Wanneer aardappelen te vaak op dezelfde plek worden geteeld, kunnen schadelijke organismen zoals aaltjes, schimmels en ziekteverwekkers zich in de bodem ophopen. Dit leidt niet alleen tot lagere opbrengsten, maar ook tot een hogere kans op ernstige teeltproblemen die meerdere jaren in de grond kunnen blijven aanwezig zijn. Daarom wordt in de praktijk vrijwel altijd een teeltpauze van minimaal drie tot vier jaar aangehouden voordat aardappelen opnieuw op hetzelfde perceel worden verbouwd.
Daarnaast is het belangrijk om geen andere gewassen uit de nachtschadefamilie (Solanaceae) voorafgaand of in rotatie met aardappelen te telen. Tot deze familie behoren onder andere tomaat, paprika, aubergine en kaapse kruisbes (physalis). Deze gewassen zijn namelijk gevoelig voor grotendeels dezelfde ziekten en plagen als aardappelen, zoals phytophthora infestans en diverse aaltjessoorten. Door deze verwante gewassen in dezelfde rotatie te plaatsen, blijft de infectiedruk in de bodem hoog en neemt de kans op uitbraken aanzienlijk toe.
Een goede wisselteelt voor aardappelen bestaat juist uit gewassen die de bodem verbeteren of in elk geval niet dezelfde ziekten delen. Peulvruchten zoals bonen en erwten zijn bijzonder gunstig omdat zij stikstof binden in de bodem en daarmee de vruchtbaarheid verhogen. Ook bladgewassen zoals sla en spinazie passen goed in de rotatie, omdat zij weinig bodembelasting veroorzaken en snel groeien. Daarnaast kunnen granen of gras-klavermengsels bijdragen aan een gezonde bodemstructuur en het onderdrukken van bepaalde bodemgebonden ziekten.
Aan de andere kant zijn er ook duidelijke ongeschikte voorteelten. Alle nachtschades moeten worden vermeden, evenals aardappelen zelf wanneer er sprake is van achtergebleven knollen in de grond die opnieuw kunnen uitlopen. Deze zogenaamde “opslagplanten” kunnen ziekten in stand houden en vormen een directe besmettingsbron voor nieuwe teelten. Door een doordachte wisselteelt toe te passen blijft de bodem gezond, wordt de ziektedruk verlaagd en kan een stabiele en hoge opbrengst van aardappelen op lange termijn worden gewaarborgd.
Categorie | Gewas | Wel / Niet | Reden |
|---|---|---|---|
Nachtschades | Tomaat | Niet | Delen phytophthora en aaltjes, hoge ziekteoverdracht |
Nachtschades | Paprika | Niet | Zelfde ziekten als aardappel (o.a. phytophthora) |
Nachtschades | Aubergine | Niet | Verhoogt ziektedruk van nachtschadeziekten |
Nachtschades | Physalis (kaapse kruisbes) | Niet | Zelfde familie,zelfde bodemziekten |
Knolgewassen | Aardappelen (opslag) | Niet | Achtergebleven knollen houden ziekten in stand |
Fruitgewas | Aardbeien | Matig | Geen directe ziekten, maar intensieve teelt kan bodem “uitputten” |
Peulvruchten | Bonen / erwten | Wel | Verbeteren bodem door stikstofbinding |
Bladgewassen | Sla / spinazie | Wel | Lage ziekte-overlap, weinig bodembelasting |
Granen | Tarwe / gerst / haver | Wel | Breken ziektencyclus en verbeteren structuur |
Groenbemester | Gras-klaver | Wel | Herstelt bodem en onderdrukt aaltjes deels |
Rustgewas | Afwisseling/braak | Wel | Vermindert opbouw van bodemziekten en aaltjes |
4-jaars rotatieschema voor aardappelen
Jaar | Gewas | Functie in de rotatie | Waarom dit goed werkt |
|---|---|---|---|
Jaar 1 | Aardappelen | Hoofdteelt | Maximale benutting van vruchtbare, schone grond zonder recente ziekte-opbouw. |
Jaar 2 | Peulvruchten (bonen/erwten) | Bodemverbetering | Binden stikstof en herstellen bodemvruchtbaarheid na aardappelteelt. |
Jaar 3 | Granen of bladgewassen (tarwe, gerst, sla) | Ziekteonderbreking | Breekt cyclus van aardappelziekten en vermindert aaltjesdruk. |
Jaar 4 | Groenbemester (gras-klaver of rustgewas) | Bodemherstel | Bouwt organische stof op en onderdrukt bodemziekten en aaltjes. |
Teelt in ruggen vs vlakveld
Bij de teelt van aardappelen wordt meestal gekozen voor ruggenbouw, waarbij de planten in verhoogde ruggen worden geteeld. Deze ruggen worden tijdens de groei verder opgebouwd door aanaarden, waardoor de knollen dieper en beter bedekt in de grond liggen. Dit vermindert de kans op vergroening door licht en zorgt ervoor dat de aardappelen beter beschermd zijn tegen temperatuurwisselingen en mechanische beschadiging. Daarnaast maakt ruggenbouw het rooien van de aardappelen efficiënter en minder schadelijk voor de knollen. Ook verbetert deze methode de afwatering, omdat overtollig water makkelijker uit de verhoogde ruggen weg kan zakken.
Vlakveldteelt daarentegen gebeurt zonder het vormen van verhoogde ruggen, waardoor de aardappelplanten op een vlak perceel groeien. Deze methode wordt minder vaak toegepast en is vooral geschikt voor specifieke bodems of omstandigheden. Omdat de knollen minder diep en minder goed bedekt liggen, is er meer risico op vergroening en kan water zich sneller ophopen rond de planten. Hierdoor vraagt vlakveldteelt meer aandacht voor bodemstructuur, vochtbeheer en het voorkomen van kwaliteitsverlies.
Oogsten en bewaren aardappels
Oogst naar behoefte voor vers gebruik. Vroege aardappels: 100-110 dagen na het planten Middel: 110-120 dagen na het planten Laat: 125-140 dagen na het planten.
Het exacte aantal dagen is afhankelijk van het ras, het weer, de bodem en nog een aantal factoren. Het bloeien van aardappels is meestal ook een teken dat vanaf nu de vroege aardappels geoogst kunnen worden. Echter niet alle rassen bloeien en het is daarom verstandig om eerst één plant uit te graven. Ook het verdorren en vergelen van het loof is een teken dat er geoogst kan worden.
Voor aardappels die bewaard moeten worden snijdt men het loof 5cm boven de grond af en laat de aardappels nog twee weken in de grond zodat de schil harder wordt en ze verder afrijpen. Rooi de aardappels op een droge zonnige dag en laat ze nog even in de zon drogen. Haal de aardappels voor de eerste vorst uit de grond. Bewaren op een vorstvrije, goed geventileerde koele plek (niet lager dan 5 graden anders wordt zetmeel omgezet in suiker).
Groene aardappels ontstaan wanneer knollen (deels) aan licht worden blootgesteld tijdens groei of bewaring. In dat geval vormt de plant het giftige stofje solanine, waardoor deze delen niet meer eetbaar zijn en verwijderd moeten worden.
Tijdens de bewaring is het daarom belangrijk dat aardappels altijd in het donker liggen, omdat licht niet alleen vergroening veroorzaakt maar ook de kwaliteit sneller achteruit laat gaan. De beste bewaaromstandigheden zijn een koele, vorstvrije en goed geventileerde ruimte met een temperatuur van ongeveer 4 tot 7 graden. Bij deze temperatuur blijven de knollen het langst goed zonder dat ze snel uitlopen of bederven.
Beschadigde of aangetaste aardappels moeten bij het opslaan direct worden weggehaald, omdat deze sneller gaan rotten en schimmels kunnen verspreiden naar de rest van de partij.
![]()
Foto door Pexels
Water en stress
Aardappelen hebben vooral tijdens de knolvorming een regelmatige en gelijkmatige watervoorziening nodig. In deze fase bepaalt voldoende vocht in belangrijke mate de uiteindelijke opbrengst en knolgrootte. Wanneer de plant in deze periode te weinig water krijgt, kan droogtestress ontstaan, wat leidt tot een lagere opbrengst en kleinere of misvormde knollen doordat de groei wordt verstoord.
Ook een sterk wisselend vochtgehalte in de bodem kan problemen veroorzaken. Afwisselend droge en natte periodes vergroten de kans op gewone schurft, een aantasting waarbij ruwe, kurkachtige plekken op de schil van de knol ontstaan. Dit beïnvloedt vooral de kwaliteit en het uiterlijk van de aardappelen, maar maakt ze in principe nog wel eetbaar.
Wat er mis kan gaan
Ziekten:
Rhizoctonia solani. https://edepot.wur.nl/30568
Aardappelmoeheid. https://www.nvwa.nl/onderwerpen/plant/plantenziekten-en-plagen/aardappelmoeheid/aardappelen-telen/resistente-aardappelrassen
Plagen / Insecten van aardappel in Nederland
Aardappelen worden in Nederland door verschillende insecten en bodemorganismen aangetast. Sommige plagen vreten aan het blad of de knollen, terwijl andere vooral indirect schade veroorzaken door het overbrengen van ziekten of het verzwakken van de plant. Hieronder staan de belangrijkste plagen die in de Nederlandse teelt voorkomen.
Coloradokever - Vreet bladeren kaal, vooral in het larvenstadium kan de schade zeer snel oplopen bij warme zomers.
Bladluizen - Zuigen plantensap en zijn vooral gevaarlijk doordat ze virussen zoals aardappelvirus Y kunnen overbrengen.
Aardappelcystenaaltjes (Globodera rostochiensis en G. pallida) - Microscopisch kleine aaltjes die de wortels aantasten en jarenlang in de bodem kunnen overleven, met grote opbrengstverliezen als gevolg.
Ritnaalden (larven van kniptorren) - Vreten gangen in de knollen waardoor deze minder goed bewaarbaar en onverkoopbaar worden.
Slakken - Vooral jonge planten zijn gevoelig; slakken vreten aan stengels en bladeren, vooral bij vochtig weer.
Aanbevolen reacties
Doe mee aan dit gesprek
Je kunt dit nu plaatsen en later registreren. Indien je reeds een account hebt, log dan nu in om het bericht te plaatsen met je account.